Sessies configureren

In Personal Communications worden configuratiegegevens van de emulator opgeslagen in een werkstationprofiel (WS-bestand) en SNA-gegevens in een configuratiebestand (ACG-bestand). Afhankelijk van de configuratie van Personal Communications op uw systeem beschikt u over alleen een werkstationprofiel of over een werkstationprofiel plus een configuratiebestand. Dit profiel kan later worden gebruikt in andere Personal Communications-sessies of u kunt er de betreffende sessie opnieuw mee starten. Het SNA-configuratiebestand (ACG-bestand) wordt gebruikt voor de initialisatie van het SNA-knooppunt van Personal Communications.

U kunt voor elk werkstationprofiel een pictogram maken. Daarna kunt u dit sessiepictogram gebruiken om verbinding te maken met de host met behulp van het opgeslagen werkstationprofiel.

Opmerking:
Als u meer dan één werkstationprofiel voor verbinding met een SNA-host configureert, is het raadzaam om voor alle profielen hetzelfde SNA-configuratiebestand te gebruiken. Als u geen gemeenschappelijk SNA-configuratiebestand gebruikt, moet u ervoor zorgen dat er geen conflicten optreden tussen de verbindingsnamen of PU-namen (bij 3270-sessies) van de twee configuratiebestanden. Ook moeten de gegevens over het lokale systeem in de vensters Configuratie Lokaal Systeem overeenkomen. Als deze niet overeenkomen, kunnen onvoorspelbare resultaten optreden.
Configureren voor iSeries, eServer i5 of System i5
Om verbinding te maken met een iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem, moeten bepaalde configuratiegegevens in het werkstationprofiel overeenkomen met de informatie zoals opgegeven op het iSeries-, eServer i5 of System i5-systeem. Raadpleeg de iSeries, eServer i5- en System i5-configuratievoorbeelden in de publicatie Emulator User's Reference voor meer informatie over de configuratie van beeldscherm-, lijn- en controllergegevens op het iSeries-, eServer i5- en System i5-systeem.

Als u meerdere verbindingen wilt configureren, kunt u de publicatie Administrator's Guide and Reference raadplegen.

Configuraties maken

U definieert een nieuwe sessie via de volgende procedure:

  1. In het menu Start kiest u Programma's -> IBM Personal Communications -> Sessie starten of configureren.
  2. In het venster Sessiebeheer kiest u Nieuwe sessie.

    Het venster Communicatie Aanpassen wordt afgebeeld.

  3. Selecteer het type host in de vervolgkeuzelijst Hosttype.
  4. Selecteer de interface die u gaat gebruiken in de vervolgkeuzelijst Interface.
  5. Selecteer het type aansluiting dat u wilt gebruiken in de vervolgkeuzelijst Aansluiting.
  6. Kies Sessieparameters om het sessietype (beeldstation of printer), de hostcodetabel en de weergave van afbeeldingen in te stellen.

    Het hostvenster Sessieparameters - 3270, 5250, ASCII of S/3X - wordt afgebeeld (afhankelijk van de host die u hebt geselecteerd in stap 3). Kies OK.

  7. Kies Verbindingsparameters.

    Als u een SNA-aansluiting selecteert, wordt u gevraagd om een SNA-aansluiting te configureren. Geef op elke pagina de gevraagde gegevens op en kies Volgende om door te gaan. Kies Voltooien als u klaar bent.

    Sla de SNA-configuratie op, zoals beschreven op pagina SNA-configuraties opslaan.

    Als u een ander type aansluiting hebt geselecteerd, maakt u de gewenste selecties voor de parameters in het afgebeelde venster. Kies Help of druk op F1 om aanvullende informatie over de parameters af te beelden. Kies OK als u klaar bent. U hoeft geen SNA-configuratie op te slaan.

    Opmerking:
    Als uw host is geconfigureerd voor gebruik van SSL (Secure Sockets Layer) of TLS (Transport Security Layer), opent u de pagina Beveiligingsinstellingen. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor details over de configuratie van de sessiebeveiliging.
  8. Ga naar de pagina Hostdefinitie om de Verbindingsopties te configureren.
  9. Voor de instelling van een printerkoppeling, gaat u naar de tab Bijbehorende printer en doet u het volgende:
    1. Selecteer Bijbehorende printersessie.
    2. Geef het WS-bestand op voor de printer die moet worden gekoppeld aan een bepaald werkstation. U kunt ook Zoeken kiezen om het bestand op te sporen.

    U kunt ook de volgende opties instellen:

  10. Na de configuratie van de sessieopties kiest u OK in het Telnet-venster.
  11. Kies OK in het venster Communicatie Aanpassen. De sessie wordt automatisch afgebeeld.

    Sla het werkstationprofiel op als beschreven in Werkstationprofielen opslaan.

Opmerking:
Als u een gebruikersprofiel van een eerdere versie van Personal Communications hebt, kan het zijn dat de functie voor automatische aanmelding niet werkt als u probeert verbinding te maken met een iSeries, eServer i5- of System i5-host via een SNA-aansluiting. In dit geval moet u het gebruikersprofiel opnieuw maken. Kies Gebruikersprofiel configureren in het venster Sessieparameters - 5250-host.

Configuratiegegevens opslaan

In deze paragraaf wordt beschreven hoe u configuratiegegevens kunt opslaan. SNA-configuratiegegevens worden opgeslagen in een ACG-bestand en configuratiegegevens voor de emulator worden opgeslagen in een werkstationprofiel (WS-bestand).

SNA-configuraties opslaan

Het venster Opslaan als wordt automatisch afgebeeld nadat u een configuratie met een SNA-aansluiting hebt gemaakt of gewijzigd. Volg de volgende procedure om deze gegevens op te slaan in een configuratiebestand:

  1. Typ de bestandsnaam en kies Opslaan. Het standaard bestandstype is ACG en de standaarddirectory is de directory voor toepassingsgegevens die is opgegeven bij de installatie.

    Als u een SNA-configuratiebestand opslaat, wordt dit automatisch het standaardconfiguratiebestand voor het SNA-knooppunt.

    Vervolgens wordt het venster Communicatie Aanpassen opnieuw afgebeeld.

  2. Kies OK totdat u terugkomt in het sessievenster, en sla vervolgens uw werkstationprofiel op zoals beschreven in de volgende paragraaf, Werkstationprofielen opslaan.
Opmerking:
Om een ACG-configuratie voor SNA te kunnen wijzigen of maken moet u een beheerder zijn of een gebruiker met speciale machtigingen.

Werkstationprofielen opslaan

Als u de configuratiegegevens voor de emulator opslaat, heeft de sessie de volgende keer dat u deze start dezelfde instellingen. Als u een pictogram aan de map Personal Communications hebt toegevoegd, kunt u daarmee (via het menu Start) de sessie eveneens opnieuw starten met de opgeslagen configuratiegegevens. U wordt automatisch in de gelegenheid gesteld om uw sessiegegevens op te slaan als u een sessie sluit. Als u echter de gegevens op een ander moment wilt opslaan, gaat u als volgt te werk:

  1. Kies Opslaan uit het menu Bestand in het sessievenster.

    Het venster Werkstationprofiel opslaan als wordt afgebeeld.

  2. Typ een bestandsnaam (WS-bestand) en klik op OK. De naam die u typt, wordt bij het pictogram afgebeeld, tenzij u een beschrijving opgeeft. U kunt zelf een directory kiezen voor het bestand, maar standaard wordt dit opgeslagen in de directory voor toepassingsgegevens die is opgegeven bij de installatie.
  3. In Sessiebeheer wordt een pictogram afgebeeld dat hoort bij het profiel.

Configuratiegegevens wijzigen

U kunt alle configuratieparameters in het werkstationprofiel en in de SNA-configuratie wijzigen.

SNA-configuraties wijzigen

U kunt de basisparameters van een SNA-configuratie voor uw sessie op de volgende manieren wijzigen:

Opmerking:
Voor de wijziging van uitgebreide configuratieopties of voor de definitie van een andere standaardconfiguratie kunt u het beste het programma Configuratie SNA-knooppunt gebruiken, dat meer configuratieopties biedt dan de wizard van de emulator. Als u de configuratiebestanden handmatig wijzigt, is het raadzaam het hulpprogramma Configuratie SNA-knooppunt Controleren uit te voeren voordat u een bestand voor de eerste keer gebruikt.

De emulatorconfiguratie gebruiken

Ga als volgt te werk om een SNA-configuratie te wijzigen:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie en kies vervolgens Sessieparameters.
  2. Breng de gewenste wijzigingen aan bij de parameters in dit venster en kies OK.
  3. Kies Verbindingsparameters.

    Uw standaard configuratiebestand wordt nu automatisch geopend. Als u een andere configuratie wilt aanpassen, kiest u Bestaand en selecteert u het configuratiebestand dat u wilt wijzigen.

    Er wordt een wizard gestart die u door de configuratie voert.

  4. Breng de gewenste wijzigingen aan en kies Volgende.

    Zo kunt u alle stappen van de wizard doorlopen en waar nodig wijzigingen aanbrengen.

  5. Kies Voltooien als u klaar bent.
  6. Als u de bestaande configuratie wilt vervangen, kiest u Ja om het bestand te overschrijven. Als u een nieuwe configuratie wilt maken die is gebaseerd op de bestaande, typt u een nieuwe bestandsnaam. U moet echter Configuratie SNA-knooppunt gebruiken als u van een nieuwe configuratie de standaardconfiguratie wilt maken.
  7. Kies OK totdat u terug bent in het sessievenster.

Het programma Configuratie SNA-knooppunt gebruiken

Het programma Configuratie SNA-knooppunt is een grafische gebruikersinterface (GUI) waarmee u de inhoud van de ACG-bestanden kunt beheren. Met dit programma kunt u afzonderlijke SNA-resources definiëren en deze definities wijzigen.

Configuratiebestanden bewerken met een ASCII-editor

U kunt een configuratiebestand maken en bewerken zonder de interface van Configuratie SNA-knooppunt te openen. U kunt een willekeurige ASCII-editor gebruiken. Een controlefunctie is beschikbaar zodat u het bestand op fouten kunt controleren nadat u het hebt bewerkt.

Raadpleeg de handleiding Configuration File Reference voor informatie over het bewerken van uw configuratiegegevens in een ASCII-editor en de controle van de aangebrachte wijzigingen.

Werkstationprofielen wijzigen

Ga als volgt te werk om een werkstationprofiel te wijzigen:

  1. Klik, als het sessievenster nog niet actief is, op het pictogram van het werkstationprofiel dat u wilt wijzigen.

    Het sessievenster wordt afgebeeld.

  2. Kies Configureren uit het menu Communicatie.

    Hierna volgt u de stappen voor het maken van een nieuwe configuratie, te beginnen met stap 3.

  3. Nadat u de wijzigingen hebt aangebracht, wordt het volgende bericht afgebeeld:
          De communicatie wordt beëindigd omdat u de
          configuratie hebt gewijzigd. Wilt u doorgaan? 

    Als u OK kiest, wordt de communicatie beëindigd, maar vervolgens worden de nieuwe configuratiegegevens gebruikt om opnieuw een verbinding tot stand te brengen.

    Als u de wijzigingen in uw werkstationprofiel wilt bewaren, kiest u Opslaan uit het menu Bestand in het sessievenster en vervolgens kiest u Ja om het bestaande bestand te vervangen. Als u Nee kiest, kunt u deze informatie in een nieuw bestand opslaan.

Tip

Bij het afsluiten van een sessie worden wijzigingen automatisch opgeslagen in het werkstationprofiel, tenzij u Voorkeuren -> Afsluitopties uit het menu Bewerken kiest en in het afgebeelde venster Afsluitopties de selectie van de betreffende optie ongedaan maakt.

Het werkstation configureren voor Thais, Hindi, Arabisch of Hebreeuws

Raadpleeg de paragraaf over bidirectionele taalondersteuning in de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over het maken van afdrukken en andere configuratie-instellingen.

Configureren voor Thais

Ga als volgt te werk om uw werkstation te configureren voor de taal Thais:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie.
  2. Kies Sessieparameters.
  3. Selecteer aan van de volgende hostcodetabellen:

Volg onderstaande stappen om Thaise toetsenbordinstellingen in te schakelen:

  1. Kies Voorkeuren -> Toetsenbord uit het menu Bewerken.
  2. Kies Toetsenbordindeling: Thais.

Configureren voor Hindi

Ga als volgt te werk om uw werkstation te configureren voor de taal Hindi:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie.
  2. Kies Sessieparameters.
  3. Selecteer aan van de volgende hostcodetabellen:

Volg onderstaande stappen om toetsenbordinstellingen voor Hindi in te schakelen:

  1. Kies Voorkeuren -> Toetsenbord uit het menu Bewerken.
  2. Kies Toetsenbordindeling: India--Hindi.

Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over Hindi-ondersteuning.

Configureren voor Arabisch of Hebreeuws

U stelt een werkstation als volgt in voor Arabisch:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie.
  2. Kies Sessieparameters om het venster Communicatie Aanpassen af te beelden.
  3. Selecteer 420 Arabisch als de hostcodetabel.
    Opmerking:
    Als u de 420-hostcodetabel selecteert in een 5250-printersessie, wordt u door Personal Communications gevraagd het bestand PCSPDA.DAT te laden. Met behulp van dit bestand worden de door de host opgegeven lettertypen op de juiste wijze toegewezen aan het afdruklettertype Typing Arabic. Raadpleeg de paragraaf over bidirectionele taalondersteuning van de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over de opties van DAT-bestanden voor Arabische sessies.
  4. Kies OK in het venster Sessieparameters.
  5. Kies OK in het venster Communicatie Aanpassen.
  6. Kies Toetsenbord uit het menu Bewerken -> Voorkeuren. Kies Arabisch als toetsenbordindeling.
  7. Kies Lettertype uit het menu Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie. Kies ARB3270 in de keuzelijst Variabele grootte of Vaste grootte. Hierdoor wordt Arabisch het actieve lettertype.
  8. Kies API-instellingen uit het menu Bewerken -> Voorkeuren.
  9. Selecteer het aankruisvakje DDE/EHLLAPI en kies 1256 als de PC-codetabel.
  10. Kies Pagina-indeling uit het menu Bestand. Kies Typing Arabic als het lettertype om Arabische bestanden af te kunnen drukken.

Volg de onderstaande procedure om voor een Arabische sessie de spiegeling van getallen of haakjes in te stellen:

  1. Kies Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen uit het menu Bewerken.
  2. Kies Spiegelen in de keuzelijst Categorie aan de linkerzijde. De instellingen voor de verwerking van getallen en haakjes worden rechts in het venster afgebeeld. Als u wijzigingen aanbrengt, worden deze meteen van kracht in de actieve sessie.
    Opmerking:
    Getallen spiegelen is alleen mogelijk bij 3270-sessies. Deze functie kan niet worden geselecteerd in een iSeries-, eServer i5- of System i5-sessie.

U stelt een werkstation als volgt in voor Hebreeuws:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie. Kies vervolgens Sessieparameters om het venster Communicatie Aanpassen af te beelden.
  2. Kies 424 Hebreeuws (Bulletin Code) of 803 Hebreeuws (Old Code) als de hostcodetabel.
  3. Kies OK in het venster Sessieparameters.
  4. Kies OK in het venster Communicatie Aanpassen.
  5. Kies Toetsenbord uit het menu Bewerken -> Voorkeuren. Kies Hebreeuws (Bulletin Code) of Hebreeuws (Old Code) als toetsenbordindeling.
  6. Kies Overdracht uit het menu Bewerken -> Voorkeuren.
  7. Op de pagina Algemeen kiest u 862, 916 of 1255 uit de lijst PC-codetabel.
  8. Kies API-instellingen uit het menu Bewerken -> Voorkeuren.
  9. Selecteer het aankruisvakje DDE/EHLLAPI en kies vervolgens 862, 916 of 1255 als PC-codetabel.
  10. Kies Lettertype uit het menu Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie.
  11. Kies HEB3270 in de keuzelijst Variabele grootte of kies de gewenste grootte voor het lettertype in de lijst Vaste grootte.
  12. Kies Pagina-indeling uit het menu Bestand.
  13. Op de pagina Tekst kiest u het printerlettertype (Courier Heb).

Afdrukrichting RTL

Vanuit een Arabische 3270-printersessie (codetabel 420) kunt u een bestand afdrukken met de schrijfrichting RTL (rechts naar links). Selecteer de schrijfrichting Rechts naar links in het venster Printerinstelling. Daarna kunt u desgewenst de opties voor het spiegelen van haakjes en/of getallen selecteren.

Pagina-instelling voor Arabische printersessies

Met het Windows-printerstuurprogramma

Voor 5250-printersessies opent u de pagina Uitgebreide opties in het venster Pagina-instelling. Stel de parameter Codetabel voor lettertypen in op 1008.

Voor 3270-sessies gaat u naar de pagina Tekst van het venster Pagina-instelling. Stel het Lettertype in op Typing Arabic.

PDT-bestanden (Printer Definitie Tabellen) gebruiken

Voor 5250-printersessies opent u de pagina Uitgebreide opties in het venster Pagina-instelling. Stel de parameter Codetabel voor lettertypen in op 864.

Afdrukconversie op host (voor 5250-emulatiesessies)

Voor 5250-printersessies opent u de pagina Uitgebreide opties in het venster Pagina-instelling. Stel de parameter Codetabel voor lettertypen in op 864.

Lam Alef-uitbreiding

Het programma voor bidirectionele indeling converteert van zichtbare naar impliciete weergave van Arabische tekens en andersom. Een Lam Alef-ligatuur in de rechtstreekse weergave wordt uitgebreid tot een <Lam>- plus een <Alef>-teken in de impliciete weergave. Als er onvoldoende spaties staan aan het einde van de Arabische tekst (het begin van het veld waarin het Lam Alef-teken wordt uitgebreid), gaan deze tekens aan het einde van het Arabische veld verloren en worden deze vervangen door de stuurcode <SUB>.

Om voor een voldoende aantal spaties aan het begin van het veld te zorgen, reserveert Personal Communications één spatie voor elk Lam Alef-teken. Als u probeert een teken over een gereserveerde spatie heen te typen, verschijnt er een foutbericht.

In het volgende voorbeeld resulteert het invoeren van één Lam Alef-teken aan het begin van de Arabische tekst in de bescherming van één spatie aan het begin (links) van het gebruikte veld.

Positie 1 2 3 4 6
Teken Niet toegestaan (beschermd) open open open <Lam Alef>

In dit voorbeeld zijn twee Lam Alef-tekens ingevoerd en dus beschermt Personal Communications twee spaties aan het einde van het Arabische veld.

Positie 1 2 3 4 5
Teken Niet toegestaan (beschermd) Niet toegestaan (beschermd) open <Lam Alef> <Lam Alef>
Opmerkingen:
  1. Als er geen onbeschermde spaties meer beschikbaar zijn in een veld en u probeert nog meer tekens in te voeren, dan verschijnt er een foutbericht en wordt het toetsenbord geblokkeerd. Gebruik in dat geval de opdrachtknop Beginwaarden om de blokkering van het toetsenbord op te heffen.
  2. Als bij gebruik van de functies voor plakken en wissen de meest linkse positie in het veld (positie 1 in bovenstaande voorbeelden) geen spatie is wanneer het Lam Alef-teken wordt ingevoerd, kunt u het Lam Alef-teken niet invoeren en zal Personal Communications een foutbericht (ongeldige toets) afbeelden.
  3. Deze Lam Alef-uitbreidingsfunctie wordt niet ondersteund onder Windows Terminal Server.

Deze beveiligingsfunctie bij Lam Alef-uitbreiding kan worden ingeschakeld in het menu Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen.

Bestandsoverdracht

Als u werkt met Arabische taalinstellingen, zijn bij bestandsoverdracht tussen de PC en de host de volgende PC-codetabellen beschikbaar: codetabel 864 (de Arabische PC-codetabel van IBM) en 1256 (de Arabische codetabel van Microsoft voor Windows).

Als u Hebreeuwse bestanden overbrengt tussen de PC en de host, kunt u gebruikmaken van de PC-codetabellen 862 (IBM-codetabel voor Hebreeuws), 916 (conform ISO-standaard) of 1255 (Microsoft Windows-codetabel voor Hebreeuws).

Opmerking:
Wanneer u een PC-bestand naar de host overbrengt en u geeft een recordlengte op die kleiner is dan de lengte van de PC-regel, dan is de regeloverloop op de host mogelijk onjuist. Om dit probleem te vermijden, moet u bij het overbrengen van het PC-bestand een recordlengte groter dan de maximale PC-regellengte opgeven. Met behulp van een hosteditor (bijvoorbeeld XEDIT) kunt u de regels daarna splitsen.

U kunt de parameters voor bestandsoverdracht instellen via de volgende procedure:

  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> Overdracht in het sessievenster.
  2. Ga naar de pagina Algemeen.
  3. Kies de opdrachtknop BIDI-opties.

    U kunt de volgende opties kiezen:

Opmerking:
Wanneer u vanuit een RTL-venster een bestand verzendt of ontvangt, moet u het spiegelen van haakjes en getallen uitschakelen. Dat doet u via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Beeldscherm instellen. Voor de categorie Spiegelen stelt u vervolgens de opties Haakjes spiegelen en Getallen spiegelen in op Nee.

Gegevensoverdracht voor Arabisch

Als u SQL-gegevens overbrengt tussen de PC en iSeries, eServer i5 of System i5 kunt u gebruikmaken van de PC-codetabellen 864 (IBM-codetabel voor Arabisch) en 1256 (Microsoft Windows-codetabel voor Arabisch). Ga als volgt te werk om gegevens over te brengen:

  1. Kies Voorkeuren -> Overdracht uit het menu Bewerken.
  2. Kies de tab voor de Conversietabel.
  3. Kies Van gebruiker.
  4. Kies Hostcodetabel: 420 Arabisch.
  5. Kies Codetabel PC: 864 of 1256.

    Als codetabel 1256 is geselecteerd, moet u de parameters voor de schrijfrichting in het hostbestand instellen zoals beschreven bij bestandsoverdracht.

Voor bidirectionele sessies hangen de standaard host- en PC-codetabellen af van de Windows-systeemlocale. Voor de Hebreeuwse Windows-versie is de hostcodetabel 424 en de PC-codetabel 1255. Voor de Arabische Windows-versie is de hostcodetabel 420 en de PC-codetabel 1256. Desgewenst kunt u deze waarden handmatig wijzigen.

OIA-indicators voor Arabisch

De onderste regel in de hostsessie wordt het informatiegebied (OIA) genoemd. Deze regel wordt altijd van links naar rechts afgebeeld. In een Arabische omgeving worden de volgende symbolen gebruikt:

OIA-indicators voor Hebreeuws

De onderste regel in de hostsessie wordt het informatiegebied (OIA) genoemd. Deze regel wordt altijd van links naar rechts afgebeeld. In een Hebreeuwse omgeving worden de volgende symbolen genoemd:

VT-emulatie voor Arabisch of Hebreeuws configureren

U stelt als volgt een Arabisch of Hebreeuws werkstation in voor VT-emulatie:

  1. Kies Configureren uit het menu Communicatie.
  2. Kies ASCII als het hosttype.
  3. Klik op de knop Sessieparameters.
  4. Kies Nationaal als het type hostcodetabel.
  5. Kies de hostcodetabel.
  6. Kies Geavanceerd.
  7. Kies BIDI-opties.
  8. De bidirectionele opties kunt u instellen in het venster Uitgebreide BIDI ASCII-host.
  9. Sluit alle openstaande vensters door erin op OK te klikken.
  10. Selecteer een lettertype door in het menu Bewerken te kiezen voor Voorkeuren -> Presentatie -> Lettertype.
  11. Selecteer Lettertype.

Bestandsoverdracht

Bij de bestandsoverdracht wordt een automatische codetabelconversie uitgevoerd. Dit geldt echter alleen voor codetabellen van 8 bits.

Voor Arabische werkstations wordt de conversie van Arabisch ASMO 708 naar 1256 uitgevoerd tijdens de verzending. De codetabelconversie wordt omgekeerd bij ontvangst.

Voor Hebreeuwse werkstations wordt de conversie van Hebreeuws ISO naar 1255 uitgevoerd tijdens de verzending. De codetabelconversie wordt omgekeerd bij ontvangst.

Kopiëren/plakken

Bij de kopieer- en plakbewerkingen wordt automatisch een codetabelconversie uitgevoerd. Voor Arabisch wordt de conversie uitgevoerd van de huidige hostcodetabel naar 1256, en vice versa. Voor Hebreeuws wordt de conversie uitgevoerd van de huidige hostcodetabel naar 1255, en vice versa.

Schermafdruk maken

U maakt als volgt een schermafdruk uit een Arabische of een Hebreeuwse sessie:

  1. Kies Pagina-indeling uit het menu Bestand.
  2. Voor een Arabische sessie selecteert u het lettertype Typing Arabic VT. Voor een Hebreeuwse sessie selecteert u het lettertype Courier Heb.

Arabische OIA-indicators voor VT

In een Arabische omgeving worden de volgende OIA-symbolen gebruikt:

Hebreeuwse OIA-indicators voor VT

In een Hebreeuwse omgeving worden de volgende OIA-symbolen gebruikt:

Uitgebreide BIDI-weergaveopties wijzigen

U stelt de uitgebreide BIDI ASCII-opties voor Hebreeuwse sessies als volgt in:

  1. Kies de Hebreeuwse hostcodetabel onder Nationaal. Klik op de knop Uitgebreid in het venster Sessieparameters - ASCII-host.
  2. Klik op de knop BIDI-opties in het venster Communicatie aanpassen - Uitgebreide ASCII-host.
  3. Als Teksttype op beeldscherm kiest u Logisch of Zichtbaar.

U stelt de uitgebreide BIDI ASCII-opties voor Arabische sessies als volgt in:

  1. Kies de Arabische hostcodetabel onder Nationaal. Klik op de knop Uitgebreid in het venster Sessieparameters - ASCII-host.
  2. Klik op de knop BIDI-opties in het venster Communicatie aanpassen - Uitgebreide ASCII-host.
  3. Kies bij de optie Cijfervorm voor Contextueel, Nominaal of Nationaal.
  4. De BIDI-werkstand kunt u Inschakelen of Uitschakelen.
  5. De optie Slim sorteren kunt u ook Inschakelen of Uitschakelen. Als u de optie Slim sorteren inschakelt, kiest u bij de optie Tekstkenmerken afbeelden voor Ja of Nee.